Bouw - 1500 - 1599 0000.0011

 

Literatuur

 

- Vries, Dirk J. de, Bouwen in de late middeleeuwen. Stedelijke architectuur in het voormalige Over- en Nedersticht. Utrecht (Matrijs), 1994. [512 blz. ISBN 90.5345.056.4].

- Kolman, Chr.J., Naer de eisch van 't werck. De organisatie van het bouwen te Kampen, 1450-1650. Utrecht (Matrijs), 1993. [435 blz. ISBN 90.5345.036.X].

- Hermans, Taco, "Materiaal en personeel bij het onderhoudswerk van slot Loevestein in de 14de, 15de en 16de eeuw". In: Monumenten en bouwhistorie. Jaarboek Monumentenzorg 1996. Zwolle (Waanders), Zeist (Rijksdienst voor de Monumentenzorg), 1996. [ISBN 90.400.9876.X]. Hierin: blz. 211-219

- Tussenbroek, G. van, "Bouwen in Bommel. Een blik in de Zaltbommelse bouwwereld van de zestiende eeuw". In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, 1999 (deel 90), blz. 40-66

- Meyer, G.M. de & A. Graafhuis, Van boeten en bouwen. De Utrechtse schutmeestersrekeningen van 1428-1528, hun informatie en de informatica. Utrecht (Archief der Stad Utrecht), 1984. [169 blz. ISBN -].

- Balen, Koen van & Bert van Bommel & Rob van Hees & Michiel van Hunen & Jeroen van Rhijn & Matth van Rooden, Kalkboek, het gebruik van kalk als bindmiddel voor metsel- en voegmortels in verleden en heden. Zeist (RDMZ), 2003. [296 blz. ISBN 90.72691.36.9]. Hierin: blz. 61-63 (“De Renaissance herontdekt de Romeinse mortel”)

- Hurx, Merlijn, Architect en aannemer. De opkomst van de bouwmarkt in de Nederlanden 1350-1530. Nijmegen (Van Tilt), 2012 [480 blz. ISBN 9789460040795]

- Beelen, Hans & Nicoline van der Sijs, "Architectuur, bouwkunde en bouwkunst". In: Onze Taal, (maandblad van het Genootschap Onze Taal), [ISSN 0165.7828], 09-2017 [jrg. 86, nr 9], blz. 24 (Over de oorsprong van de genoemde woorden. 'Architectuur' komt van het Latijnse 'architectura', en dat van het Griekse 'arkhitektonia': bouwmeester, architect. Dat woord is een samenstelling van 'arhi-': opper-, eerste en 'tecton': timmerman, scheepsbouwer. "Architectuur werd dus beschouwd als de techniek bij uitstek, als de moeder van alle kunsten." De term werd in het Nederlands voor het eerst gebruikt in 1539 door Coecke, hofschilder van Karel V, in zijn vertaling van Vitruvius De architectura. Als synoniemen voor 'architect' gebruikte hij overbouwmeester, timmermeester en bouwmeester. In 15e-eeuwse bouwrekeningen komen voor opperwerkmeester, werkmeester, meesterwerkman en opperregeerder. In de 17e eeuw werd als synoniem gebruikt bouwkunst. Ca 1700 ging men onderscheid maken tussen bouwkunst voor de theoretische wetenschap, en bouwkunde voor de praktische bekwaamheid.)